De Jazzles

Hoofdstuk 1: De vader van Tim

“Eens even kijken, waar we nu zoal geweest zijn”. Juf Marijke keek vragend de kring rond. “We zijn in het ziekenhuis geweest, waar de moeder van Anne dokter is. We zijn in de bakkerij van de vader van Vincent geweest. We waren in de garage van de ouders van Hester. En natuurlijk ook nog op het kantoor waar Thomas zijn vader werkt. Dat was ook leuk”. Thomas lachte verlegen.
Juf Marijke was tevreden over haar beroepenproject. Iedere twee weken werkte groep 7A over een ander beroep. De meeste vader en moeders vonden het leuk om daaraan mee te doen en ze nodigden de groep altijd uit om eens een kijkje op hun werk te komen nemen.
“En jouw vader, Tim? Die heeft toch ook een mooi beroep? Wil die ons ook niet eens wat over zijn werk vertellen?”
Tim Overbeek haalde zijn schouders op. “Mijn vader maakt helemaal niets juf”, zei hij een beetje beteuterd, “hij is drummer”. En inderdaad, vader Overbeek was altijd met zijn slagwerk in de weer. Hij vond dat geweldig leuk. Zo leuk dat Tim zich weleens afvroeg of dag en nacht muziek maken nou wel echt werk was.
Juf Marijke werd gelijk enthousiast: “Dan maakt hij toch muziek, Tim? Maar dat is geweldig! Weet je wat? Vraag jij maar eens gauw of jouw vader ons volgende week wat over zijn werk wil komen vertellen”.
Tim beloofde dat te doen, maar hij verwachtte er niet veel van. Een vader die brood bakt of auto’s repareert vond hij heel wat interessanter.

Precies een week later stopte een grote auto voor de school. Tim’s vader stapte uit. Hij was een heel lange man met een kale kop. Hij liep op gympies en droeg een spijkerbroek en een rood flodderjasje.
De kinderen mochten allemaal helpen om het drumstel uit te laden. Het zat in een heleboel koffers. Een heleboel van die koffers waren rond. Daarin zaten natuurlijk trommels en bekkens. Meneer Overbeek lette er goed op dat het heel voorzichtig gebeurde.
Toen het drumstel in de klas was opgesteld ging Tim zijn vader erachter zitten. Op een soort fietszadel. 'Hallo’, zei hij, "ik ben Wim".
Daarna keek hij de klas in. Niemand zei iets. Het was heel stil in de klas. Maar plotseling…!!! Het leek wel of er oorlog uitbrak: Wim speelde een knetterende drumsolo. Alle trommels en bekkens lieten hun eigen geluid horen. Soms leek het of ze ruzie met elkaar hadden. En even later waren ze het weer helemaal met elkaar eens. Wim liet zijn drumstel praten, leek het wel. Met roffels op de trommels, met getinkel op de bekkens en met de zware boem-boemritmes op de grote basdrum. Soms loeihard en dan opeens fluisterzacht. Wim’s armen en benen leken wel een eigen leven te leiden. Hij en zijn drumstel leken wel een machine. Een goed geoliede muziekmachine.

Ineens was het afgelopen. De kinderen juichten en klapten in hun handen. Tim was best trots. Bij de vader van Vincent en de moeder van Anne werd niet geklapt. En op dat kantoor van de vader van Thomas al helemaal niet.


Hoofdstuk 2: Een hoedje van papier – maar dan anders

”Dit was dus een drumsolo”, zei Wim. “Maarrrr…. een drumsolo die bij bepaalde muziek hoort. Niet bij klassieke muziek” – hij schudde nee met zijn hoofd – “niet bij house. En ook niet bij popmuziek. Dit was een solo zoals je in jazzmuziek kunt horen”.
Drummers zijn bijna altijd begeleiders, vertelde Wim. Dat betekent dat zij andere instrumenten ondersteunen. Daarom moet een drummer goed het ritme vasthouden.
Carmen wilde weten wat dat is, ritme.
“Goede vraag”, Carmen zei Wim. “Ik zal proberen dat uit te leggen. Laten we met zijn allen maar eens een liedje zingen. Bijvoorbeeld ‘Een twee die vier, hoedje van papier’, dat kennen jullie allemaal”.
En allemaalzongen ze het bekende liedje. Ook juf Marijke.
“Heel goed”, zei Wim. “En nu klappen we erbij in onze handen.
Alle kinderen klapten op de maat van het liedje. Op ieder woord kwam een klapje.
“Juist. Heel goed. Hier hoor je dus het ritme van het liedje”, zei Wim tevreden. “Maar nu doen we eens wat andere klapjes”, stelde Wim voor. “Dan maken we een ander ritme. We klappen nu eens alleen de eerste drie klappen, de vierde slaan we over, en dan weer drie, weer de vierde overslaan, en zo verder”.Daar gingen ze weer: klap, klap, klap, niets, klap, klap, klap, niets.
Het klonk inderdaad heel anders. Een beetje spannender zelfs.
“En nu een extra moeilijke”, zei Wim, die steeds ijverig meetrommelde. “Nu slaan we steeds de eerste en de derde over. Dus: niets, klap, niets, klap, niets klap, niets klap”. Bij ‘niets’ sloeg hij met zijn linkerdrumstok in de lucht en bij klap sloeg hij met de rechter op een grote trommel. Dat klonk nog spannender. Sommige kinderen vonden het zo leuk dat ze er vanzelf bij gingen bewegen.
“Zo kun je natuurlijk nog veel meer bedenken”, zei Wim, “en je zult merken dat het liedje steeds anders klinkt. En soms, als je het goed doet dan voel je dat een liedje gaat swingen. Zo noemen wij jazzmuzikanten dat dan.
Maar er is nog iets anders heel belangrijk. Wie weet het?”
Niemand wist het.
Behalve Tim natuurlijk, maar dat telde niet, want die had het al zo vaak gehoord.
“Zeg het maar Tim”, zei vader Wim.
“Improviseren”, zei Tim.
“Toe maar! Strooi jij maar met moeilijke woorden”. Wim begon er steeds meer plezier in te krijgen. “Maar inderdaad, Tim heeft gelijk. Improviseren. Wie weet wat dat is?”.
Kevin, die de hele tijd zijn mond had gehouden, zei dat zijn moeder het er weleens over had. Laatst had ze met koken moeten improviseren. Dat zei ze tenminste. Ze had toen niet alles in huis om te maken wat ze wilde. Maar omdat er toch eten op tafel moest komen maakte ze maar iets van wat er nog in huis was. Omdat er geen aardappelen waren nam ze maar spaghetti. En er was ook niet genoeg gehakt. Daarom maakte ze er wat lekkere dingen bij met kaas en tomaat en zo. “Nou, toen knutselde ze zo maar een maaltje in elkaar. En dat was vaak nog lekkerder dan wat ze van plan was te maken”, besloot Kevin zijn verhaal.
Wim knikte goedkeurend. “Dat is een heel goed voorbeeld Kevin!” Hij gaf Kevin een tikje op zijn hoofd. Kevin glom van trots.
Wim gaf zelf ook nog een voorbeeld. “Stel je voor, je hebt een heeeeeeel mooi verhaal gehoord. Thuis wil je dat verhaal aan je kleine zusje vertellen. Je doet echt je best en je vertelt het echt heel goed.. Maar opeens… opeens weet je niet meer precies hoe het ook alweer ging. Wat nu? Zusje hangt ademloos aan je lippen, dus je voelt wel aan dat je er niet zomaar mee kunt ophouden. Dus wat doe je? Terwijl je aan het vertellen bent bedenk je er zelf van alles bij en zo maak je er een soort eigen verhaal van. Zusje blij – en jij ook blij, want jij hebt al improviserend een verhaal gemaakt. Een verhaal waarin je heel veel van jezelf hebt gestopt.
Met de muziek gaat het net zo. Fluit maar eens een liedje dat niet bestaat. Dat is in het begin wel moeilijk, maar het lukt je vast wel.
Ook met dat ‘Hoedje van papier’. Zing eerst maar een stukje zoals je het kent, en probeer dan de melodie eens iets anders te zingen. Als je dan ook nog eens op zo’n aparte manier in je handen klapt, dan komt er misschien wel iets heel leuks. Nog beter is het als wat je zingt ook nog in het oorspronkelijke liedje past. Ik zal het eens laten horen”.
Wim vroeg een paar kinderen naar voren te komen en ‘Hoedje van papier’ te zingen.
Terwijl de kinderen keurig het liedje zongen, zong Wim het met ze mee. Alleen leek hij wel een heel andere melodie te zingen. En toch klonk het goed.
Dat probeerden ze allemaal. En ze merkten toen dat improviseren nog best lastig is.
“In een jazzband gaat het ook zo”, vertelde Wim. Als de andere muzikanten een solo nemen dan spelen de pianist, de gitarist, de bassist en ik meestal door. Dat is een soort muzikale ondergrond. Net als bij een huis. Dan maken ze eerst een fundament, zeg maar een bodem, van heipalen en beton. Dat gebeurt in de muziek ook. Wij maken een soort fundament waar de improvisatie mooi op past.

 

Hoofdstuk 3: Wat is jazz?

Juf Marijke vond het allemaal best moeilijk. Ritme, swing, improviseren, ja dat snapte ze nu wel. Maar àlle liedjes hebben ritme, en allerlei pop- en housemuziek swingt ook. En improviseren gebeurt ook in allerlei soorten muziek. Is dat dan ook jazz? Ze vroeg het aan Wim.
“Heel goeie vraag”, zei Wim weer enthousiast.
“Tja, wat is jazz eigenlijk… Ik zou het je niet kunnen vertellen”. Hij maakte er een wat hulpeloos gebaar bij.
Juf Marijke keek verbaasd.
“Nee, echt niet”, zei Wim, “je hebt gelijk: allerlei soorten muziek swingen en in allerlei muziek  wordt geïmproviseerd. Je moet het gewoon horen – en voelen. En weet je, alle muziek heeft met elkaar te maken. Muziek, dat is een grote familie, zeg ik altijd maar. Meestal is goed te horen of iets jazz of popmuziek is, of klassieke muziek of volksmuziek. Maarrrrrr…. er is klassieke muziek die behoorlijk jazzachtig klinkt, en er is jazzmuziek die wel heel erg op popmuziek lijkt, en zo zijn er nog veel meer voorbeelden. En binnen de jazzmuziek zelf zijn de verschillen ook heel erg groot. Ga maar eens luisteren op een goed jazzfestival. Daar hoor je allerlei soorten muziek, en het is allemaal jazz.
Misschien kan ik jullie het beste iets over de geschiedenis van de jazz vertellen. Dan wordt denk al een heleboel duidelijk. Als jullie opletten, tenminste!” Dat laatste zei Wim omdat hij juf Marijke met haar telefoontje zag rommelen. Ze lachte en stopte hem gauw in haar tas.
Wim vertelde toen dat het allemaal is begonnen met de slavernij, toen Afrikaanse slaven aan het werk waren op de Amerikaanse katoenplantages. Die slaven hadden in het begin hun eigen muziek en hun eigen dansen, uit de streek in Afrika waar ze vandaan kwamen. Die slavernij heeft ruim tweehonderd jaar geduurd. Tegen de tijd dat de slavernij werd afgeschaft hadden de slaven het leven van de blanke Amerikanen een klein beetje overgenomen. Ze spraken inmiddels ook Engels.
De slaven die katholiek of protestant waren geworden gingen ook naar de kerk. Daar zongen ze de kerkliederen die ze van de blanken hadden gehoord, maar die zongen ze dan wel op hun eigen manier. Met hun eigen ritme, hun eigen dans en hun eigen manier van praten. En ze zongen ook tijdens het werk. Dan leek het werk minder zwaar.
Of ze ook improviseerden? Nou en of! In de Afrikaanse muziek doen ze niet anders. Dat kun je trouwens nog steeds horen, vertelde Wim. Ook zongen ze de blues. Dat zijn meestal langzame liedjes over hoe moeilijk die zwarte Amerikanen het wel hadden. Blues wordt vaak tijdens het zingen bedacht.
Er waren ook negers die speciaal les hadden gekregen om voor de blanken muziek te maken en te dansen. Zij speelden de bladmuziek van liedjes die bij de blanken populair waren. Maar ook nu weer: de zwarte Amerikanen speelden die muziek op hun eigen manier. En dat betekende: een apart ritme en een aparte klank. Toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft konden de Amerikaanse negers geld voor zichzelf verdienen. En toen konden ze ook tweedehands muziekinstrumenten kopen. Vooral in New Orleans kon dat heel goed omdat het leger daar begin 1900 een heleboel instrumenten verkocht.
Eerst speelden ze muziek in kleine bandjes. Op straat, op feesten en in cafés. Al gauw werd de nieuwe muziek heel populair. Jazz, zo noemden ze de nieuwe muziek. En dat was een heel goede naam. Jazz werd al gauw zo populair dat ook in allerlei grote danszalen jazzmuziek moest worden gespeeld. Daar dansten soms honderden mensen. Alleen… een klein bandje hoorde je dan niet goed. Nu – in onze tijd - zou je denken: dan zetten we er gewoon een paar microfoons bij. Maar die waren daar toen nog niet zo goed geschikt voor. Dus wat deden ze toen? Ze maakten gewoon die jazzbandjes een stuk groter. Die heetten toen big bands. Eerst zaten er zo’n stuk of tien, twaalf mensen in. Later waren het er wel twintig.
Op een gegeven moment hadden de mensen geen zin meer in die big band-muziek. Die raakte wat uit de mode. De big bands verdwenen toen min of meer van het toneel. Ze waren ook nogal duur, want al die muzikanten moesten natuurlijk worden betaald. En bovendien waren er inmiddels wel goede versterkers, microfoons en geluidsboxen voorhanden.
Net als nu wilden de mensen steeds nieuwere muziek horen. En zo kwamen er ook weer kleinere bandjes met nieuwe soorten muziek. Dat was vaak nogal moeilijke muziek waarop je toen niet goed konden dansen. Daarom wilden veel mensen weer de muziek van vroeger horen, waarop je wel goed kon dansen. Dat werd toen ‘dixielandmuziek’. Dat is vrolijke muziek die goed in het gehoor ligt en waarop je prima kunt bewegen. De jongeren van toen vonden het maar een oubollig gedoe en toen kwam er rock ’n roll – eigenlijk is dat snelle blues – en later popmuziek.
“Dus je ziet wel”, zei Wim, “popmuziek, klassiek, jazz, kerkmuziek, house - in de muziek is alles familie van elkaar”.
Wim vertelde dat hij het meest van jazz houdt, maar dat hij voor zijn werk als drummer ook allerlei andere soorten muziek moet kunnen spelen“. Dat moet wel, want ik moet voldoende geld verdienen om af en toe een boek of een skateboard voor Tim kopen. En eten doet ie ook nog! Je moet maar zo denken: een bakker kan de zaak ook wel sluiten als hij alleen maar koekjes of krentenbollen zou maken”.
Dat leek de kinderen logisch. En Tim hoopte dat zijn vader hem verder wel met rust liet.
“Wat doe je dan nog meer Wim?”, vroegen ze.
“Overdag werk ik veel in studio’s. Met andere muzikanten – wij zeggen ook wel musici - begeleid ik zangers en zangeressen. Bij voorbeeld voor een radio-optreden, of als ze een cd komen opnemen. En ’s avonds speel ik in een paar jazzbands. En ik heb ook een paar drumleerlingen”.
Juf Marijke zei dat ze het jammer vond dat ze niet op Wim zijn werkplek konden komen kijken, omdat Wim veel ’s avonds en ’s nachts werkt.
Wim dacht even na. “O, maar ik weet wel wat”, zei hij toen vrolijk.
“Over twee weken dan zit ik niet ver hier vandaan in een studio. Voor een radiouitzending. Nu is het een beetje lastig om de hele klas mee te vragen naar de studio. Ik ben daar nu eenmaal niet de baas. Maar als ik er klaar ben, dan kan ik wat mensen van de band wel vragen of ze met mij mee komen. Dan gaan we hier in de school een concert geven. Wat vinden jullie daarvan?”
De hele klas juichte. Dat was nog eens leuk, een echt schoolconcert. En dan nog wel met de band van Tim zijn vader!

 

Hoofdstuk 4: Het schoolconcert

Twee weken later, op een donderdag, was het zover. Er verscheen een klein optochtje voor de school. Behalve de auto van Wim stopten er ook een bestelwagen en een oude Amerikaanse slee, een grote witte auto met banden met witte zijkanten.
“Zo hé, da’s even wat anders dan de Smart van mijn vader”, zei Ineke Jansma jaloers.
Wim laadde zijn drumstel weer uit. Uit de bestelwagen kwamen twee donkere mannen met een gitaarkoffer, een hele grote hoes waar wel een bas in zou zitten en enkele geluidsboxen. Uit de Amerikaanse auto stapten een blonde vrouw met een strakke rode broek en twee kleine mannen, waarvan er één een zwarte kuif had en de andere een kale kop, net als de vader van Tim. Zij hadden koffers waarin volgens Tim een saxofoon, een trombone en een trompet zaten. Hij wist die dingen natuurlijk.
Toen alle koffers en boxen in de schoolzaal stonden zei Wim dat juf Marijke de kinderen maar binnen moest laten komen. Alle kinderen uit groep 7A gingen vooraan zitten. Omdat er plek genoeg was kwamen ook de kinderen uit groep 8A en 8B erbij.
Wim liet de kinderen raden wat er in de koffers zat.
“Een grote viool”, riep een jongen uit groep 8, toen Wim op de grootste hoes wees. “Nee joh, dat is een bas. Mijn oom heeft er ook een”, zei Janna uit Tim zijn groep.
Wim zei dat Janneke het goed had en dat ze eigenlijk allebei wel gelijk hadden. De bassist, Peter, knikte vriendelijk.
De gitaar, van Rudy, werd door iedereen meteen herkend.
De blaasinstrumenten waren moeilijker te raden, maar dat kwam doordat ze allemaal in een rechthoekige koffer zaten.
“De toeter die een beetje op een gouden pijp lijkt is een saxofoon”, vertelde Wim. “En wat een trompet is hoef ik jullie vast niet te vertellen”.
De blonde vrouw stak een groot zilveren instrument omhoog.
“And what is this?”, vroeg ze. “Yes, I’m from the USA”, voegde ze er lachend aan toe.
De meeste kinderen dachten dat het een schuiftrompet was.
“De mensen zeggen dat vaak”, zei Wim, “maar het is een trombone. Suzy is onze tromboniste”. Suzy liet horen hoe het instrument klinkt.
“Bart is de trompettist” – en ook Bart speelde een prachtige riedel.
“En nu jij Vincent”, zei Wim tegen de saxofonist. Vincent haakte de saxofoon aan een riempje dat om zijn nek hing. Hij blies de eerste regel van het Wilhelmus en hij legde uit dat een saxofoon te zwaar is om als een blokfluit in je handen te houden. “Vandaar dat riempje”, zei hij, en hij maakte een diepe buiging.
Toen Peter de bas liet horen voelden de kinderen de lage noten in hun buik trillen. Dat kwam ook een beetje omdat Peter de bas had versterkt. Tot slot lied Rudy op zijn gitaar horen dat hij ook goed thuis was in de muziek van TMF.
“We zullen eens wat spelen”, zei Wim. “We spelen een liedje dat niet bestaat, dat nog nooit eerder is gespeeld en dat we nu hier in deze schoolzaal met elkaar bedenken. Improviseren dus, weet je nog? Let op: ik begin met een ritme.”
Wim pakte twee stokjes met kwastjes eraan. Brushes noemde hij die, en hij veegde er ritmisch mee over zijn kleine trommel, de snaardrum. Die heet zo omdat er aan de onderkant metalen snaren overheen zijn gespannen. Die snaren trillen mee zodra op het bovenste trommelvel wordt geslagen.

Tsjjjj  t       t      tsjjjjj  t    t    tsjjjj   t       t     tsjjjj   t     t    en zo voort. Het klonk als:

Een   tweeje    drie   viere   een   tweeje   drie   viere

 

Opeens kwam Rudy met zijn de gitaar erbij. Hij speelde wat akkoorden. Dat zijn drie, vier of meer tonen die tegelijk worden gespeeld, had Wim verteld. Ze worden ze vaak gespeeld door de gitarist en door de pianist.
“Die akkoorden zijn eigenlijk een soort bedje waar de melodie steeds lekker in kan liggen”, zo had Wim dat gezegd.
Peter had goed naar de gitaarakkoorden geluisterd en hij plukte er precies de goede basnoten bij. Het leek al een aardig compleet muziekje.
Toen zette Suzy de trombone aan haar lippen. Ze speelde heel zacht en klagend. Alsof ze een beetje huilde door haar instrument. Vervolgens deden ook trompettist Bart en saxofonist Vincent mee. Ze speelden alsof ze het liedje al jaren kenden, terwijl Wim net had gezegd dat ze het al spelend bedachten.
Opeens stopten Bart en Vincent. De anderen gingen door. Suzy kreeg nu echt de hoofdrol. Ze speelde prachtig. Mooie zingende noten, maar ook hele lage rochelende en soms hele hoge. “Mooie solo”, zei Tim toen ze klaar was en Vincent het overnam. Hij klapte in zijn handen. Dat deden de andere kinderen toen ook. Buigend nam Suzy het applaus in ontvangst. Ook Bart en Vincent speelden een solo, en later ook de bas en de gitaar. Toen Wim een drumsolo sloeg kreeg hij het meeste applaus van allemaal.
Toen het lied uit was kwam Wim achter zijn drumstel vandaan.
“Vonden jullie het mooi?”, vroeg hij.
“Jaaaaaaaaaaa”, riepen de meeste kinderen.
“Neeeeeeeee”, riepen een paar jongens en meisjes uit de andere groep.
Wim was daar helemaal niet boos om. “Dat vind ik heel goed, dat je zegt dat je het niet mooi vindt! Veel mensen zeggen dat ze iets mooi vinden omdat ze denken dat het zo hoort. Of om iemand een plezier te doen. Eigenlijk is dat een beetje jokken. Je houdt dan de mensen een beetje voor de gek – en jezelf ook! Muziek is ook altijd eerlijk. Als je muziek maakt dan kun je je niet verbergen, want je laat iets van jezelf zien. Zeker met jazzmuziek, want je speelt zoals je bent en zoals je je voelt”.
Wim keek de zaal rond. “En dat geldt voor alle muzikanten. Of musici, zoals ze vaak zeggen. Ook popmuzikanten en ook klassieke muzikanten, die in die hele grote orkesten met allemaal violen zitten”.

 

Hoofdstuk 5: Winston speelt piano

Winston stak zijn vinger op. Winston was drie maanden geleden uit Curaçao gekomen. Hij was een lange nogal verlegen jongen.
“Meneer Wim”, zei hij beleefd, “meneer Wim, ik zit al vier jaar op pianoles. Zou ik eens mogen meespelen op de piano van de school? Hij staat daar in de hoek”. Voordat Wim antwoord had kunnen geven waren bassist Peter en trompettist Bart als naar de piano gelopen. Zij reden hem voorzichtig naar de band toe.
Winston lachte verlegen. Hij ging zitten en speelde een paar loopjes.
“Zo joh, jij studeren wel goed, ik hoor”, zei Suzy met een zwaar Amerikaans accent.
Winston schuifelde wat op zijn pianokruk en speelde toen het begin van een liedje dat alle mensen van de band kenden. Wim deed een roffel en ze vielen allemaal tegelijk in.
Nadat de trompet en de saxofoon een solo hadden gespeeld wees Suzy met het trombone naar Winston. “En nu jij, Winston!”
Winston speelde alsof hij zijn hele leven al meedeed. Toen hij klaar was kreeg hij niet alleen een donderend applaus uit de zaal, maar ook van de mensen van de band. Wel handig dat hij zo donkerbruin was. Anders had hij gebloosd als een stoplicht.
“Ja jongens en meisjes, dat is jazz! Met elkaar spelen, naar elkaar luisteren en ieder de gelegenheid geven zijn eigen muzikale verhaal te vertellen”.


Het was bijna drie uur.
Juf Marijke kwam met haar armen vol bloemen naar voren.
“Die is voor jou Wim. Wij vinden het heel fijn dat je ons van alles over je werk hebt verteld. En die is voor Bart, en die voor Vincent. En zo gaf ze alle muzikanten een mooie bos.
“Spelen we nog wat?” vroeg Wim. Dat wilden de muzikanten wel. En alle kinderen. En ook Winston, die al weer achter de piano zat. De stille verlegen jongen werd nu met heel andere ogen bekeken. En Tim ook. Want een vader die zo goed kon drummen, er zo leuk over kon vertellen, en dan ook nog eens met een complete band naar school komt, ja, zo’n vader wilden ze allemaal wel!”